In 1984 initieerde een aantal ziekenhuisibliotheken een project om een
gemeenschappelijk doel te bereiken: "automatisering van de bibliotheekadministratie
en centralisatie van de catalogi"
Deze bibliotheken wilden aanvankelijk door samenwerking de efficiëntie verbeteren en de kwaliteit van hun bibliotheekservice vergroten. Deze samenwerking resulteerde uiteindelijk in een Centrale Catalogus van Ziekenhuisbibliotheken (CCZ) die deel uitmaakt van de Nederlandse Centrale Catalogus.
Het was voor de individuele ziekenhuisbibliotheken om financiële
redenen nooit mogelijk om zelf onderdeel te gaan uitmaken van die Nederlandse
Centrale Catalogus. De bibliothecarissen die deelnamen aan de CCZ werkten
niet alleen samen op het gebied van automatisering maar ontwierpen tevens
een gezamenlijke thesaurus van medische termen en een Nederlandse vertaling
en bewerking van de National Library of Congress Classification.
De samenwerking bleek al spoedig een groot succes te zijn. Binnen tien jaar participeerden meer dan 60 ziekenhuisbibliotheken in de CCZ. De catalogus bevat nu (1998) ongeveer 90.000 titelbeschrijvingen. Het succes leidde echter tot meer activiteiten dan de totale groep kon "managen".
Jaren geleden was het samenwerkingsverband gestart als een werkgroep binnen de Biomedische Afdeling van de Nederlandse Vereniging van Bibliothecarissen. In de loop der jaren werd de werkgroep echter een steeds meer onafhankelijk functionerende groep die zich bezighield met de verschillende aspecten van professionalisering van het bibliotheekbeleid en de bibliotheekwerkzaamheden in een kleinere medische bibliotheek.
Dit resulteerde ook in het organiseren van tweejaarlijkse bijeenkomsten. Tijdens deze bijeenkomsten werd de huishoudelijke vergadering gehouden en werd er rondom een speciaal gekozen thema gediscussieerd, meestal bijgestaan door professionele sprekers. Zo zijn er bijeenkomsten georganiseerd over "omgang met elektronische tijdschriften", "gebruik van het internet" en "beveiliging van de ziekenhuisbibliotheek". Deze bijeenkomsten waren ook toegankelijk voor bibliotheekmedewerkers die niet officieel catalogiseerden in de Centrale Catalogus van Ziekenhuisbibliotheken.
Het coördineren
van een centrale catalogus, het updaten van zowel een thesaurus als een
classificatiesysteem en daarnaast ook nog het organiseren van halfjaarlijkse
bijeenkomsten bleek in de praktijk teveel te zijn om, zonder extra ondersteuning,
naast het dagelijkse werk nog goed te kunnen doen. Dit is de reden waarom
de CCZ-groep uiteindelijk heeft besloten om de structuur van de groep te
herzien en terug te gaan naar het primair gestelde doel: het operationeel
houden van een geautomatiseerde centrale catalogus van ziekenhuisbibliotheken.
Dit betekent dat die bibliotheken die niet daadwerkelijk catalogiseren in de PICA-catalogus niet langer deel kunnen uitmaken van de werkgroep. Het organiseren van halfjaarlijkse bijeenkomsten wordt overgelaten aan de BMI.
Door de enthousiaste deelname aan de samenwerking door de CCZ-bibliotheken, de traditie zoals die in Nederland bestaat, en het gebrek aan ondersteuning zou men kunnen zeggen dat de CCZ "slachtoffer van het eigen succes" is geworden. De samenwerking heeft zeker geleid tot meer professionalisering van een groot aantal kleinere ziekenhuisbibliotheken. Maar tegelijkertijd is gebleken dat deze samenwerking te omvangrijk is geworden om te"managen".
Daarom is het belangrijk dat men binnen dit soort samenwerkingsverbanden vooraf helder heeft wat het doel is van de samenwerking en prioriteiten stelt om het doel ook te bereiken.